Een kleine klok in nood

Een paasavontuur voor kinderen vanaf 6 jaar.
Niet geschikt voor kinderen en ouders zonder fantasie.

Proloog

Jij hebt vast wel eens over de paasklokken gehoord. Op de avond voor het paasfeest verlaten ze hun warme nest in de toren van Rome. Dan slaan ze hun vleugels uit en vliegen ze de wereld rond om chocolade eitjes te strooien. De klokken die jij kent zijn groot en hebben sterke vleugels. Maar wist je dat er ook kleine klokjes zijn? Zij blijven in de toren tot hun vleugels sterk genoeg zijn om de lange paasreis te maken. En zo is er dit jaar een kleine klok die voor het eerst de toren mag verlaten. De kleine klok is wat zenuwachtig. Net voor het vertrek oefent hij nog even om tijdens het vliegen de eitjes netjes te laten vallen. Ze mogen natuurlijk niet breken. Ze mogen ook niet te hoog blijven liggen. En in elke tuin moet hij er evenveel achterlaten.

Wanneer de zon ondergaat, verzamelen alle klokken in kleine groepen. Vanuit de toren zal elke klokkenfamilie een kant opvliegen. De kleine klok neemt plaats midden in zijn familie. Met de grotere klokken rondom hem voelt hij zich veilig. Hij is beschermd tegen harde regen en wind en kan zeker de weg niet kwijtraken.

De oudste klok vliegt vooraan. Hij geeft aan wanneer de klokken hun eitjes mogen werpen en wanneer niet. Na enkele minuten vliegen weerklinkt een klokslag door de lucht. Meteen stuurt het kleine klokje zijn eerste chocolade eitjes naar beneden. Hij glundert wanneer hij ziet dat al zijn eitjes precies neervallen waar hij ze wil hebben. Dan geeft de oude klok opnieuw een teken en houdt de chocolade regen even op. Tijdens het wachten begint de kleine klok om zich heen te kijken. Hij kijkt naar de wolken en de sterren boven hen. Dan trekken de kleine lichtpuntjes beneden zijn aandacht. Alles is zo mooi. Hij sluit even zijn ogen en zucht blij. Op dat moment doet opnieuw een klokslag de lucht trillen. De grote klokken zetten meteen hun taak verder. Maar de kleine, dromerige klok, is te laat.

“Oh nee!” klingelt hij.
“Niet erg, hoor”, weerklinkt de grote klok links naast hem. “We hebben met ons allen voldoende eieren naar beneden laten vallen. Begin nu maar gewoon met jouw eitjes.” Maar de kleine klok wil niet zomaar opgeven.
“Mijn eitjes horen ook in elke tuin te liggen”, klinkt hij. “Ik moet teruggaan.”
“Dat gaat niet, jongen”, galmt nu ook de klok die aan de andere kant vliegt. “We moeten de hele nacht doorvliegen om voor de ochtend weer bij onze toren te zijn.”
Het kleine klokje zucht diep. Zijn eerste tocht is nog maar net begonnen en hij slaat al enkele tuinen over. Dat kan hij toch niet laten gebeuren. Hij haalt diep adem en schiet dapper naar beneden. Terwijl hij terugvliegt, klingelt hij snel:
“Ik haal jullie wel in!”.

Nu hij de veilige klokkenfamilie heeft verlaten, wordt de kleine klok meteen gegrepen door de wind. Hij blijft dapper met zijn vleugels fladderen om op koers te blijven. Maar de wind is sterker. Er vliegt een tak tegen zijn rechtervleugel, waardoor het klokje begint te tollen. Hij klingelt wanhopig om hulp, maar zijn klokkenfamilie is nergens meer te zien. Moe en verdrietig laat het kleine klokje zich meevoeren door de wind. Wat zou er nu met hem gebeuren?

1. Een nieuwsgierige jongen

Het is nog donker buiten wanneer Louis zijn ogen opent. Hij weet dat vannacht de paasklokken zijn langs geweest en kan niet wachten om al het lekkers te gaan ontdekken. Geruisloos glijdt hij uit zijn bed en doet zijn kamerjas om. Hij neemt zijn zaklamp en gaat op zijn tenen de trap af.

Hij opent de tuindeur en schijnt met zijn zaklamp door de tuin. Er liggen enkele grote chocolade eieren tussen het gras. Feest! denkt Louis en hij glimlacht. Dat wordt smullen. Net voor hij de deur weer wil sluiten, ziet hij iets schitteren verderop in de tuin. Dat lijkt geen gewoon paasei, denkt Louis. Hij stapt snel in de tuinklompen van papa en sluipt voorzichtig verder de tuin in. Dit is echt geen gewoon paasei, denkt Louis opgewonden wanneer hij het fonkelende ding bijna kan aanraken. Hij strekt zijn arm uit.

Plots schiet er iets uit het gras omhoog en begint het wild om hem heen te fladderen. Van schrik laat Louis zijn zaklamp vallen. Hij zwaait wild met zijn armen om zich heen. Het vliegende ding botst met een harde klap tegen zijn voorhoofd. Louis valt languit achterover in het gras.

2. Paasochtend

“Wel, wel” hoort hij de stem van papa zeggen. “Er was er eentje nieuwsgierig, geloof ik.”
Louis opent zijn ogen en ziet mama, papa en zijn kleine broer in de deuropening staan. Hij gaat rechtop zitten en wrijft over zijn pijnlijke voorhoofd. Dat wordt een lelijke buil. Wat was er ook alweer gebeurd? Hij kijkt om zich heen en ziet kleine vleugeltjes zacht bewegen naast hem in het gras. Zijn mond valt open van verbazing. In zijn tuin ligt… een paasklok.

“Ga je in de tuin blijven liggen?” roept mama. “Kom je eerst aankleden en dan kan je samen met je broer eitjes rapen.”
“Ik kom eraan”, roept Louis terwijl hij opstaat. “Ik… euh… ik moet nog snel even mijn zaklamp zoeken. Die heb ik hier laten vallen.” Hij houdt de klok verborgen en loopt snel naar zijn geheime kampplaats achterin de tuin. Hij weet niet zeker of de kleine klok hem begrijpt. Toch zegt hij:
“Hier ben je even veilig. Ik kom zo snel mogelijk terug met hulp.” De klok klingelt erg zacht, alsof hij reageert op wat Louis zegt. Louis glimlacht naar de klok en zegt:
“Alles komt goed. Tot straks!”

Dan loopt hij snel naar binnen, waar mama en papa hem met grote ogen aankijken.
“Wat… euh… is er gebeurd, Louis?” vraagt papa voorzichtig.
“Niks, niks, ik wilde gewoon al eens gaan kijken of de paasklokken geweest waren. Enneuh… toen ben ik gestruikeld”, antwoordt Louis snel. Mama kijkt hem onderzoekend aan.
“Dat is wel een lelijke buil van gewoon even te struikelen”, zegt ze. Louis kijkt snel even in de spiegel en schrikt zich een hoedje. Op de plaats waar de kleine klok hem raakte, staat inderdaad een grote buil. Maar een buil in verschillende kleuren. Je zou haast zeggen dat er… een paasei op zijn hoofd groeit.
“Oh… euh… met een pleister is dat morgen wel beter”, zegt Louis snel om mama gerust te stellen. Hij neemt een grote pleister en kleeft hem over de buil. Hopelijk heeft mama niet gezien dat de kleuren steeds feller worden. Hij glimlacht breed en steekt zijn duim op. “Zo!”
“OK”, zegt papa aarzelend. “Zullen we dan eitjes gaan rapen? Hier zijn de mandjes…”

Louis en zijn kleine broer maken er zoals elk jaar een wedstrijd van om zoveel mogelijk eitjes in hun mandje te stoppen. Maar voor Louis is het extra spannend om iedereen uit de buurt van de kleine klok te houden.

3. De dierenredder

Van zodra paasochtend voorbij is, spurt Louis de trap op naar zijn kamer. Hij neemt de Walkie Talkie van zijn bed.
“S.O.S.! Dier in nood! S.O.S.! Over.”
Het blijft stil. Gus, zijn beste vriend die wat verder woont, heeft de andere Walkie Talkie. Gus heeft altijd de juiste spullen op zak om dieren in nood te redden. En ook al is een paasklok geen dier, hij weet vast wel wat te doen. Louis probeert het nog een keer:
“S.O.S.! Dier in nood! S.O.S.! Over.”
Plots klinkt er gekraak door de Walkie Talkie.
“Herhaal noodkreet. Over.”
“S.O.S.! Dierennoodgeval! Kom meteen naar mijn tuin! Over.”
“Ik kom van zodra alle paaseieren zijn gevonden! Over en uit.”

“Over welk dier gaat het?” vraagt Gus wanneer hij even later in de tuin aankomt. Louis aarzelt even.
“Wel,” begint hij, “het is eigenlijk niet echt een dier.”
Gus kijkt hem vragend aan. “Waar heb je mij dan voor nodig?”
“Het heeft wel vleugels!” zegt Louis snel. Gus snapt er niets van.
“Louis, ik weet niets over vliegtuigen! Ik ben een dierenredder.”
Louis wijst naar zijn geheime kampplaats.
“Ik denk dat je best zelf even een kijkje neemt, Gus”, zegt Louis voorzichtig.
“OK!” zegt Gus. Hij gooit zijn rugzak over zijn schouder en kruipt vastberaden in het geheime kamp van Louis. Nog geen minuut later komt Gus naar buiten gesneld. Zijn ogen zijn groot van verbazing.
“Louis… dat is een…” begint Gus.
“Ja…” zegt Louis meteen.
“Louis… daar zit een… jij hebt een…” gaat Gus verder.
“Ik weet het, Gus, ik geloof het zelf niet.”
“PAASKLOK!” roept Gus uit.
“Sssshht! Niemand mag dit weten.”

Louis vertelt wat er in de vroege ochtend precies gebeurde. Gus luistert vol verbazing.
“Mag ik die buil van je eens zien?” vraagt Gus nieuwsgierig. Louis haalt de pleister van zijn voorhoofd. Gus rolt over het gras van het lachen.
“Je hebt een groen gespikkeld paasei op je voorhoofd”, schatert hij. Gek, denkt Louis. Daarnet was het nog geel met blauwe strepen.

De twee vrienden kruipen samen weer in het kamp. De kleine klok probeert weg te vliegen, maar valt meteen weer op de grond.
“Hij heeft zijn vleugel bezeerd”, merkt Gus op. “Kijk, hij kan zijn rechtervleugel nauwelijks bewegen.”
Gus haalt enkele spullen uit zijn rugzak: een zakmes, een doekje en een stok. Ondertussen neemt Louis voorzichtig de klok op zijn schoot. De klok klingelt angstig, maar laat de jongens helpen.
“Stil maar”, probeert Louis de kleine klok gerust te stellen. “Gus heeft al eerder dieren gered. Hij kan je helpen.”
Gus snijdt de stok in twee. Het doekje is net lang genoeg om de stok aan de vleugel vast te maken.
“Zo, als je even rust, zal je hiermee snel weer weg kunnen vliegen”, stelt Gus de klok gerust. De klok klingelt dankbaar.
“Je zal dus even op krachten moeten komen. Louis, heeft hij al iets gegeten vandaag?” vraagt Gus als een echte dierendokter. Louis kijkt zijn vriend aan.
“Hoe kan ik dat nu weten? Ik heb hem nog maar net gevonden. En daarbij, wat eten paasklokken eigenlijk?”
“Chocolade eieren natuurlijk,” lacht Gus.
“Gus, echt, het is niet omdat een paasklok paaseieren strooit, dat hij ze ook opeet. Een kip eet toch ook geen eieren?”
“Ja, daar heb je wel een punt. Maar wat eet een paasklok dan wel?”

4. De wolkenvangers

Gus en Louis zitten naast elkaar en denken diep na. Op dat moment laat de klok een boertje. Er komt een klein wolkje uit zijn mond.
“Dat is het!” Louis springt enthousiast recht. “Volgens mij eten paasklokken wolken!”
De klok klingelt bevestigend.
“Probleem weer opgelost!” glundert Louis.
“Opgelost?” lacht Gus. “Het is gewoon een nieuw probleem. Hoe komen we nu aan wolken?”
Louis ploft met een zucht weer naast Gus. Inderdaad geen makkelijke klus. Gus duikt in zijn rugzak, neemt er een lang touw uit en knoopt er een lasso van. Hij haalt ook nog een vangnet en een plastic zak tevoorschijn.
“Misschien kunnen we hier wel wat mee”, zegt hij trots.

De rest van de dag proberen ze het ene na het andere om toch maar een wolk te pakken te krijgen. Ze springen met het vangnet zo hoog ze kunnen op de trampoline. Omdat ze niet hoog genoeg reiken, besluiten ze met de plastic zak in de hoogste boom te klimmen. Wanneer ook dit niets oplevert, zwaaien ze de lasso zo ver mogelijk de lucht in. Maar deze komt gewoon in volle vaar weer naar beneden. Ook met open armen van een heuvel naar beneden hollen levert nog niet het kleinste wolkje op. In een laatste poging richt Louis de stofzuiger van mama naar de lucht.
“Komen er al wolken naar beneden, Gus?” roept Louis boven het lawaai van de stofzuiger uit. Gus schudt zijn hoofd. Teleurgesteld brengt Louis de stofzuiger weer naar binnen.
“We kunnen ondersteboven gaan staan tot we …” begint Gus.
“Tot we sterren zien?” gaat Louis verder.
“Ow ja, dan zie je sterren en geen wolken”, lacht Gus. “Ik had het anders wel eens willen proberen.”
“Goed,” gaat Louis verder “er zit dus niets anders op.”
Gus kijkt hem vragend aan. “Wat bedoel je, Louis?”
“Als we geen wolken kunnen vangen, zullen we er zelf één moeten maken.”

5. Het experiment

Gus schudt alles uit zijn rugzak. Er valt enkel nog een flesje en een trechter uit. “Hier zijn we vast niet veel mee”, zucht Gus.
“Ik vind in de keuken nog wel enkele dingen waarmee we aan de slag kunnen”, zegt Louis en hij loopt naar huis. Na enkele minuten komt Louis het kamp weer binnen met allerlei flessen en bussen uit de keuken. Hij zet een veiligheidsbril op en geeft Gus er ook een. Dan gaat Louis als een echte professor aan de slag. Hij zet een aantal lege flesjes op een rij. In elk flesje giet hij twee dingen samen. Het eerste flesje kleurt groen, maar verder gebeurt er niets. In het tweede flesje begint de vloeistof licht te bruisen. Nog een andere fles duwt luchtbellen naar buiten. Het laatste flesje zorgt voor een heel fijn pluimpje rook dat meteen weer verdwijnt.
“Ik heb zowat alle combinaties geprobeerd”, zucht Louis. “Als die rookpluim nu eens zo groot zou zijn als die luchtbel en zo snel omhoog zou komen als die bubbels… Dat is het!” De twee vrienden kijken elkaar aan en zeggen tegelijk:
“We moeten alles samen gooien!”

Gus neemt het flesje en de trechter en zet het vol trots voor zijn vriend neer. Hij heeft echt altijd de juiste spullen in zijn rugzak zitten. En terwijl Louis heel voorzichtig alles bij elkaar giet, staat Gus klaar met de plastic zak om de wolk te kunnen opvangen. Eerst gebeurt er niets. Dan begint het brouwsel zacht te bruisen en komen steeds grotere bubbels naar boven. In de hals van de fles begint een luchtbel te groeien, waardoor het pluimpje rook dat zich begint te vormen in de bel blijft. De luchtbel groeit wanneer er steeds meer rook in komt en wordt door de bubbels langzaam naar boven geduwd. Van zodra de luchtbel uit de fles komt, springt hij stuk. Er blijft een klein groen wolkje achter. Meteen gooit Gus de zak over het wolkje.
“Gelukt!” roept hij. Louis neemt de kleine klok op zijn schoot en houdt hem de zak met de wolk voor. “Toe maar, kleine vriend, hier knap je vast van op.”
De klok zuigt de wolk naar binnen en begint meteen wat luider te klingelen. Ondertussen blijft het brouwsel gevulde luchtbellen omhoogduwen. Gus houdt zich klaar om er nog enkele te vangen en aan de klok te geven. Hoe meer wolken de kleine klok eet, hoe luider hij klingelt. En ook zijn vleugels beginnen weer te fladderen.

6. De klokkenfamilie

Dan horen de jongens de stem van mama aan de tuindeur. “Jongens, het is etenstijd!”
“Dan moet ik ook naar huis”, zucht Gus. Hij zou liever nog even bij de paasklok blijven.
“OK, klokje, blijf jij hier nog maar even rusten. Ik kom straks terug en dan zoeken we uit hoe we je weer bij je familie…” Maar nog voor Louis zijn zin kan afmaken, schuift een grote schaduw van de ene kant van de tuin naar de andere. Louis en Gus kijken omhoog, maar kunnen niet zien waar de schaduw vandaan komt. Wanneer nog twee andere schaduwen over de tuin bewegen, begint het klokje luid te klingelen.
“Is dat jouw familie, klokje?” vraagt Louis. De kleine klok klingelt vrolijk.
“Dan hebben ze je gevonden!” roept Gus blij. De twee vrienden springen recht en beginnen naar de lucht te zwaaien.
“Hij is hier! De kleine klok is hier!” roepen ze. De schaduwen worden groter en bewegen minder snel, maar nog steeds kunnen Louis en Gus niets opmerken in de lucht.

De kleine klok begint omhoog te vliegen, maar stopt even voor de ogen van de jongens. Dan klingelt hij alsof hij afscheid neemt.
“Dag klokje”, zegt Gus.
“Wees voorzichtig, hé”, voegt Louis eraan toe.
De kleine klok blijft nog even voor de ogen van de jongens zweven. En plots is de klok verdwenen. De twee vrienden zien enkel nog hoe een kleine schaduw samen met de grote schaduwen kleiner wordt tot ze helemaal verdwijnt.
“Natuurlijk! Ze maken zichzelf onzichtbaar!” roept Gus. “Daarom kunnen we de paasklokken nooit zien!”
“Ik ga het klokje wel missen.” Louis pinkt een traantje weg.
“Kop op, Louis, je hebt nog een mooi aandenken”, zegt Gus troostend. Hij wijst naar het voorhoofd van Louis. “Het is trouwens blauw geworden… met rode stippen”, grinnikt hij.

Terwijl de jongens naar de tuindeur wandelen, horen ze achter zich een zachte plof. En nog één. De jongens kijken op en zien het ene paasei na het andere naar beneden vallen. De hele tuin wordt overladen met paaseieren. Met grote ogen en een brede glimlach blijven de jongens in de regen van chocolade staan.
“Vrolijk Pasen, Gus!” lacht Louis. Maar Gus hoort hem niet. Hij is druk in de weer met het opnieuw vullen van zijn rugzak.

Epiloog

Moe, maar tevreden vliegt de kleine klok met zijn klokkenfamilie weer naar de toren. Hij vindt het helemaal niet erg dat hij zijn tocht niet heeft kunnen afwerken. Zijn eerste paasreis was een echt avontuur. Maar volgend jaar blijft hij bij zijn klokkenfamilie, dat weet hij wel zeker. Tenzij misschien om net wat meer eitjes te kunnen gooien in het tuintje van die twee lieve jongens.


Profile picture

Geschreven door Eva Hadermann.
Mijn hoofd is een paleis van verhalen, met kamers en gangen om in te verdwalen.
Volg me op instagram.